Mediawijs door infovaardigheden meer informatie

Infovaardigheden betreffen het vermogen om met informatie te kunnen werken: van het zoeken, vinden, beoordelen en gebruiken van informatie tot en met de bijhorende technologie. Uit dat proces zijn zes activiteiten te destilleren die leerlingen uitvoeren wanneer ze aan de hand van een vraag een informatieprobleem oplossen. Om mediawijs te worden door infovaardigheden is hetSuc6-model ontwikkeldVolgens dit Suc6-model kan iemand ‘infovaardig’ worden genoemd als hij al deze stappen adequaat weet te zetten. Anders gezegd: als een leerling daartoe in staat is, beheerst hij de zes deelvaardigheden van de vaardigheid ‘het oplossen van een informatieprobleem’.

Deze cursus leert u om dit model voor uw lesopdrachten te hanteren en hoe u leerlingen kunt begeleiden bij dit proces.

Suc6, zes stappen naar mediasucces

Starten, Vragen, Zoeken, Vinden, Kiezen en Terugkijken

1. Starten: leertaak bepalen

Voor ze kunnen beginnen, moeten leerlingen zich de specifieke leertaak eigen maken. Die is vervat in de basisvraag (of probleemdefinitie): ‘Wat is het probleem precies?’ In de lessituatie is deze vraag verwerkt in de opdracht die een leerling uit moet voeren. De docent is degene die de leerlingen ‘het probleem’ voorlegt. Hij doet dit vanuit een cognitief oogpunt: de leerling kennis bijbrengen over een bepaald onderwerp. Als didactisch middel kiest hij hiervoor infovaardigheden.

2. Vragen: bepalen informatiebehoefte

‘Wat moet ik precies weten?’ Leerlingen nemen gewoonlijk weinig tijd om goed na te denken over wat er precies binnen een opdracht bereikt moet worden. Leraren hebben hierbij een belangrijke taak. De formulering van de opdracht moet zodanig zijn dat een leerling zichzelf vragen stelt die hem aanzetten tot het zoeken naar informatie die ‘het probleem’ voor hem zal oplossen. Als hij de opdracht goed begrijpt en zichzelf logische, heldere vragen stelt, kan hij na gaan denken over potentieel bruikbare informatiebronnen om daar vervolgens de meest bruikbare uit te selecteren.

3. Zoeken: zoekstrategieŽn

‘Waar ga ik de benodigde informatie zoeken?’ De opties waar een leerling over beschikt, variŽren van (informatieve) boeken, tijdschriften en encyclopedieŽn en deskundige personen tot websites op het Internet. In de tegenwoordige praktijk wordt doorgaans voor het laatste gekozen, waarbij vooral gebruik wordt gemaakt van zoekmachines zoals Google, die infovaardige leerlingen op een snelle manier de weg wijzen naar relevante websites. Het is niettemin verstandig om leerlingen hiernaast ook op zoek te laten gaan naar informatiebronnen zoals algemene en gespecialiseerde bibliotheken, uitgevers, discussiefora en websites van experts.

Het traceren van kwalitatief hoogwaardige informatiebronnen is een uitdaging op zich. Er bestaat immers geen informatiebron die de (enig) juiste is. Bij het raadplegen van digitale bronnen is het zaak de leerlingen eerst goed na te laten denken over de te gebruiken zoektermen. De huidige zoekmachines zijn bijzonder geavanceerd, met als gevolg dat je gemakkelijk kunt verdwalen als je een verkeerde zoekterm kiest, maar ook snel bij de gewenste informatie kunt komen als je een juiste zoekterm kiest.

4. Vinden: informatie lokaliseren
Als een leerling bruikbare informatiebronnen heeft gevonden, zal er toegang tot die informatie moeten worden verkregen. Waar staan de betreffende boeken in de bibliotheek of mediatheek? Hoe kan het (digitale) tijdschrift worden aangevraagd? Hoe kan het artikel in het digitale tijdschrift worden gevonden? Hoe kan een pdf-file worden gelezen? Een belangrijk leerpunt voor leerlingen is het besef dat het traceren en bestuderen van informatie volgt op een helder inzicht in datgene wat er wezenlijk aan informatie nodig is. Het vinden en verzamelen van informatie hoeft dankzij ICT niet echt meer een probleem te zijn, maar het selecteren van bruikbare informatie is dat vaak nog wel.

Bij het lokaliseren van de juiste informatie op het Internet speelt in deze fase ook het bepalen van de betrouwbaarheid ervan een rol. Waar gedrukte media gewoonlijk pas worden gepubliceerd als er redactie is gepleegd, kan een ieder die dat wil, ‘rijp en groen’, ongecontroleerd en ongecensureerd informatie op het Internet plaatsen.

5. Kiezen: informatie gebruiken

Het efficiŽnt kunnen gebruiken van informatie uit meerdere bronnen vraagt om overzicht en improvisatievermogen. Behalve dat leerlingen goed moeten kunnen lezen en begrijpen, figuren moeten kunnen interpreteren, een landkaart moeten kunnen duiden, enzovoort, moeten ze de gevonden informatie ook kunnen verwerken in een (eind)product dat een juist antwoord op de probleemstelling geeft, terwijl ze dat product ook nog in een vorm moeten kunnen gieten waarin hun conclusies op een heldere manier worden gepresenteerd.

6. Terugkijken: evalueren

Bij deze stap gaat het om het beantwoorden van de vraag in hoeverre de vraagstelling van de opdracht efficiŽnt en effectief in het resultaat is beantwoord. Zowel het proces (de wijze waarop het resultaat tot stand is gekomen) als het product (het tastbare eindresultaat) worden hierbij bekeken. Leerlingen kunnen de efficiŽntie van hun werk mede aflezen aan de tijd die ze er (in vergelijking tot anderen) aan hebben besteed. De effectiviteit van het eindproduct wordt door de leraar bepaald aan de hand van de probleemstelling in de opdracht en de daarin geformuleerde criteria. Voldoet het product aan de eisen?

Het proces

Binnen deze chronologische stappen is er nog een schema te maken, waarin drie niveaus zijn te herkennen die een rol spelen bij het efficiŽnt en effectief (kunnen) zoeken naar informatie: aanpak, organisatie en gereedschap.

Aanpakgaat over de keuzes die gemaakt moeten worden om tot het gewenste resultaat te komen.

Organisatiebeweegt zich op het terrein van de concrete aanpak en de structuur die daarbij gevolgd wordt.

Gereedschapbevat de concrete, fysieke aspecten van de verschillende stappen.Welke instrumenten staan tot mijn beschikking om mijn informatieprobleem op te lossen?

Elk van de Suc6-stappen wordt op de genoemde drie niveaus besproken.

Begeleiden bij het zoeken naar informatie

Voor begeleiders van leerlingen die aan een infovaardige opdracht werken, vormen de bevindingen vanCarol Kuhlthaueen belangrijke steun. Haar onderzoek laat de verschillende fasen zien die een leerling doorloopt terwijl hij met een informatiezoekproces bezig is. Het biedt niet alleen richtlijnen voor het begeleiden zelf, maar ook voor de instructies voor leerlingen die aan een opdracht (gaan) werken.

Goochelen met informatievaardigheden

In het boek Goochelen met Informatievaardigheden zijn de bevindingen van Kuhlthau ‘overgezet’ naar het stappenproces van Suc6. Het boek vormt dan ook de basis voor deze cursus.

In een infovaardige opdracht dienen in principe alle hierboven vermelde stappen, niveaus en fases herkenbaar te zijn.

DIGIN, digitale infovaardigheden
Deze cursus is gekoppeld aan een account van DIGIN, een afkorting van ‘digitale infovaardigheden’. DIGIN is een digitaal programma op een gelijknamige website waarmee leerlingen online (informatie)stappen kunnen zetten t.b.v. het maken van een presentatie. Via deze Suc6-stappen verzamelen ze de informatie die ze voor hun presentatie nodig hebben. Het programma slaat alles wat de leerlingen doet automatisch in een logboek op. Op deze wijze kan de docent zien welk plan van aanpak de leerling geschreven heeft, welke vragen hij gesteld heeft, welke zoektermen hij gebruikt heeft, welke bronnen hij geraadpleegd heeft en tenslotte op basis van welke ruwe informatie hij zijn presentatie heeft gemaakt.

Bij elke stap in deze cursus wordt u gevraagd om datgene wat u erbij hebt geleerd ook in DIGIN te testen.

Let wel: DIGIN is een programma voor leerlingen. Voor u is het zaak om de stappen die u binnen DIGIN doet telkens te vertalen naar een opdracht die leerlingen via DIGIN zouden kunnen maken.

Overigens kunnen uw leerlingen nu al opDIGINwerken. Ze kunnen vrijblijvend een account aanmaken en aan de slag gaan.